TEN GELEIDE

Jan Schot

Het neologisme txaenz – spreek uit, “tijd maal aandacht enzovoorts” – is één van de eigen begrippen van Jaap.
Hieronder legt hij uit wat hij bedoelt met deze afgekorte aanduiding van een veel uitgebreidere formule.

[Vanwege de lengte van dit opstel is het hieronder in delen opgesplitst.
De afzonderlijke delen zijn te openen door op het plusteken (+) te klikken]

TXAENZ

Jaap Schot, 4 juli 2002

Definitie.
Iemands T x A enz is: het vermenigvuldigingsproduct van

  1. zijn tijd van leven,
  2. zijn aandacht,
  3. zijn energie,
  4. zijn vaardigheden,
  5. zijn toewijding,
  6. zijn ijver,
  7. zijn geestkracht,
  8. zijn verstand,
  9. zijn initiatief,
  10. zijn doorzettingsvermogen,
  11. enzovoorts.
Factoren en slavernij

Het is dus een open rij factoren.

Met de variatie van een factor varieert het vermenigvuldigingsproduct in grootte mee. Maar het is niet alleen een kwantitatieve grootheid, het is ook een kwalitatieve grootheid.
Want: de vaardigheden zijn een factor en dat zijn bij mij andere dan bij de lezer, andere zowel als gelijke, daarnaast.
Het is veel en veel te reducerend wanneer men zegt dat men als werknemer zijn uren verkoopt, en andersom dat er zoveel manjaren arbeid gaan zitten in het uitvoeren van opdracht X.
Voor het geld dat nu wordt uitgegeven om een voetbalwedstrijd te houden en te bezoeken en uit te zenden, enzovoorts enzovoorts, kan niet maar ineens ‘meer blauw op straat’ gekocht worden.
Wat de werkdoorgever koopt, is txaenz.
Wat de werknemer verkoopt, is zijn txaenz – dus, zijn tijd van leven enzovoorts. Dat is, een deel van zijn LEVEN.

Beschaafde vorm van slavernij
Slavenhandel was het dwingen, verkopen en gebruiken van levende mensen, in hun geheel.

Wat wij hier nu hebben is precies hetzelfde doen met mensen,
maar dan zoals men salamiworst eet: schijfje voor schijfje.

Elke baan is tijdelijk: een onsje of een pond gesneden leven. Dunne schijfjes graag. Dat hapt zo beschaafd weg en het valt niet zo op dat de worst opgemaakt wordt.

Eigenschappen van de taal

Bewust zijn van de eigenschappen van de taal
Txaenz is geen weegbaar, zichtbaar, tastbaar, waarneembaar spul. In het gebruiken van het concept/begrip, dat een zelfstandig naamwoord als naam heeft, sluipt de VORM binnen, die hoort bij het bespreken van spul – zand of water of zo. Dat is dus een besprekingsvorm, een eigenschap van onze, vorm-arm geworden, ‘moderne’ taal.
Als we die taal gebruiken, en we moeten wel, dan hoeven we ons slechts af en toe, maar niet te zelden, dit feit bewust te maken. Niet te zelden. Eigenlijk dient ons – taalgebruikers – ononderbroken voorbewust te zijn, meteen BEWUST te maken te zijn, dat ons gereedschap, die taal, van zulke eigenschappen heeft. Wat we zeggen wordt, onvermijdelijk, slechts ten dele gevormd vanuit wat we waarnemen en proberen te melden. Altijd voegt die taal – die begrippenapparatuur en die besprekingsvorm en de aangeleerde beelden bij wat buiten ons is – die wij moeten gebruiken er storende suggesties bij.
Er is geen ontsnappen aan het gezelschap van de andere taalgebruikers, want een taal kan niemands privaat bezit zijn en kan ook niet zonder sprekers/gebruikers ‘er’ zijn, functioneren.

Het is dus ononderbroken vechten tegen de gevolgen van de slordigheid van dat gezelschap.

Omdat zij niet aanspreekbaar zijn, moet iedereen zelf veel waarschuwingen tegen misverstanden uitspreken, om nog een rest van eenduidigheid te veroveren op het taalvernielen, dat velen als liefhebberij schijnen te hebben, of – als dienst aan de gevestigde belangen – beroepsmatig bedrijven.
Het zij zo.

Oude woorden en nieuwe woorden

Strijd om oude woorden, of…
Ik ga nooit in gevecht met een andere taalgebruiker over een ‘woordbetekenis’, tot de laatst overgebleven geciviliseerde (= door rangschikken geobsedeerde) zal deze je bestrijden over elke uitspraak die je als waar of als hoe dan ook de zijne overtreffend naar voren brengt.
Mijn enige gedicht gaat daar over:

Ik ben een nul in ’t diepst van mijn gedachten,
Een grote nul,
Maar zoek in mij geen trots,
Geen claim een groter nul te zijn dan wie ook,
Is bij mij te vinden,
Ik acht mij ook in ’t nul zijn door een ieder overtroffen.
Ik ben de minste, echt,
Ik ben het, zelfs dus ook als nul.

Het is goed te WETEN, als gebruiker van een taal, dat die taal een menselijk maaksel is. Bovendien heb ik me laten vertellen dat de talen versleten worden. Er stond geschreven dat primitieve talen, nog niet aangetast door de civilisatie, vaak veel meer vormen kenden: waar wij nog de aanvoegende wijs van over hebben: ‘het ware te wensen’.

aanmaken van nieuwe woorden
Elke baan is tijdelijk: een onsje of een pond gesneden leven.
Op die zin wil ik nog even terugkomen. Dat woord ‘leven’ staat daar voor hetzelfde wat ik met dat vermenigvuldigingsproduct benoem. ‘Leven’ is alleen een etiket, dat overigens ook nog op vele andere ‘betekenissen’ staat geplakt. Het woord (nu nog: het niet-woord, want ik ben de enige gebruiker) txaenz is een betere naam: specifiek voor deze ene betekenis van het woord ‘leven’.
Ik heb dit woord, dit analytische begrip, niet aangetroffen, maar zelf gemaakt, gevonden, op een bepaald moment nodig gehad om iets aan (exacter: voor) mezelf uit te leggen.
Zulk aanmaken van begrippen heet conceptualiseren, vermoed ik. Het voegt begrippen en woorden toe aan de taal en ik gebruik dat begrip / woord txaenz al zo’n jaar of twintig. Het heeft nu een vaste plaats in mijn beschrijvingen. Veel dingen zijn veel korter en helderder te zeggen mét dit begrip en dit woord, dan zonder deze woord-begrip-combinatie.

 

Vijanden doden of slaaf maken

Slaaf maken
Door het doden van vijanden maakt men een einde aan hun mogelijke daden en de gevolgen daarvan. Lukt het om hen op buitenbesturing te zetten (ook zo’n ongebruikelijke uitdrukking als het om mensen gaat) dan kan hun hele txaenz gebruikt worden voor de doelen van wie van buiten af deze slaaf bestuurt. De ideale slaaf is een willoos ding, met ingebouwde ‘wetten van de robotica’ (Asimov) of de moraal van de roomse kerk of welke verzameling dan ook, van vervangers van ‘het zelf doen van het zelf gevoelde, innerlijk waargenomen nodige voor eigen volledig en harmonieus functioneren als exemplaar van zijn diersoort’. De slaaf heeft zijn gebruiker lief (hij houdt van Grote Broer, van de Godheid die de dader is van alle gebeuren, als hij verward genoeg is, zelfs van het blinde, onpersoonlijke noodlot), berusten is niet genoeg. Zo is de regeling: 1984 gaat niet alleen over het stalinisme.

De aangepaste slaven in zelfbezit die hier het volk vormen zijn dol op hun civilisatie, wat hen aan eredienst in de vorm van sportmanifestaties wordt voorgezet en opgedrongen, en op hun democratie en hun wetten, vooral hun economische systeem: “de Klant is Koning”, ze geloven het, ze smullen ervan en beminnen zo hun noodlot.

Het blijkt dat ze niet opmerken dat ze van een deel van hun txaenz worden beroofd. Ze KENNEN dat feit, onvermijdelijk, ze ervaren het dagelijks en duidelijk, maar ze horen er niet over spreken (eventueel spreken erover wordt volstrekt overstemd en pauzeloos gevolgd en dus uitgewist door nieuws over spannende emotionerende andere onderwerpen), zodat ze niet weten, er hun bewustzijn niet mee (laten) vullen. Ze komen dus zeker niet aan begrijpen, aan verwoorden, kortom aan WETEN toe.
KENNEN onvermijdelijk, weten zelden en kort, WETEN bijna nooit.

Bewustwording

Als iemand het begrip ‘txaenz’ gebruikt, komt hij vanzelf de roof ervan tegen. Ziekte blijkt als txaenzverlies (vermindering per tijdseenheid, verzwakking van de stroom ervan) te beschrijven te zijn. En dat helpt, want ineens blijkt de mensengebruiker, tot voor kort nog manager genoemd een ziekmaker te zijn, een txaenzrover.

Om dat niet te voelen, is het nodig dat
de gebruikte – de slaaf in zelfbezit, de vrije loonafhankelijke burger – geen eigen project heeft,
dat hij uitvoert met zijn txaenz.

Hij moet niet bezig zijn iets van zijn leven te maken. Hij moet bezig zijn iets van zijn txaenzbesteding (dat is dat ‘leven’) te láten maken. Hij moet bezig zijn zichzelf en anderen in dienst te overtreffen en zich als winnaar in de competitie (door de sollicitatiecommissie) te láten inzetten, aanstellen, gebruiken.

Dat gebruikt worden vindt plaats:
1. rechtstreeks door Koning Klant (de verpersoonlijkte koopkracht) in het geval van de concurrerende ondernemer, of
2. indirect door Koning Klant via de (gokkende, verwachtende) doorgevers van de (nog niet gegeven) werkopdracht, met andere woorden van de (nog niet bestaande) werkgelegenheid, in het geval van de werknemer in competitie met anderen met kwalitatief ongeveer dezelfde txaenz.

Mensen gebruiken en rangordenen

Mensengebruikerij
Zonder het zien van de civilisatie als de mensengebruikerij die ze is, zou het begrip txaenz misschien niet zijn opgekomen, zonder de neiging tot uitleggen zou het woord ‘leven’ voor dat waarvan de gebruikte beroofd wordt, voldaan hebben. De Nazi-uitdrukking ‘vernietiging door arbeid’ was een grote hulp om de civilisatie te doorzien. De poging tot het stichten van het duizendjarig bedoelde derde rijk is een voorbeeld van het pogen te vestigen van een civilisatie. Binnen mijn tijd van leven, geen voorbeeld nodig van de Spanjaarden tegen de Indianen, de Engelsen in Afrika (Rhodesia). Vlak bij huis in eigen tijd, uitvoerig besproken en gescholden, omdat het mislukte. Uiterst leerzaam.

Rangordenen
De angst de mindere te zijn is zeker even groot als beweegreden als de begeerte minderen te hebben. Velen willen alleen maar niet voor iedereen (in elk concreet geval zijn dat deze en gene in hun omgeving) onderdoen.
De hogere gebruikt lageren.
Luxe is datgene wat (in omvang maal kwaliteit) te boven gaat het “in ruil” zelf aan verdeelbaars/ consumeerbaars aan het geheel geleverde. Luxe consumeren is mensen (laten) gebruiken, slaven (laten) houden. [Ja, er zijn ‘energieslaven’, de machines enz. maar dat feit laat deze uitspraak “luxe = mensengebruik” vrijwel volledig waar.]
Voor zoveel luxe als de rijke consumeert, geeft de natuur hem echt geen txaenz. Dat is de kernwaarneming. En nee, we hebben er niet allemaal voordeel van: niet alleen niet allemaal evenveel, nee: niet allemaal. Ontelbare mensen hebben er geen voordeel van, eveneens ontelbaren aanwijsbaar nadeel, het neemt hen jaren van hun leven, nee, dat zijn niet toch de laatste jaren, juist niét. Hun beste jaren (dat zijn de jaren waarin hun txaenz het krachtigst stroomt) zijn de jaren dat ze gebruikt worden, die hen genómen worden.

 

Of ze dat doorhebben en wat ze er bij denken en voelen,
is totaal zonder invloed op de feiten,
en dus op de waarheid van deze uitspraken hier.

Deze website gebruikt cookies. Als u doorgaat op deze site, dan wordt ervan uitgegaan dat u hiermee akkoord gaat.